bonzelen

Lëtzebuergesch
English
Français
dégringoler
Deutsch
(herunter)purzeln
Woordsoort
VRB
Hulpwerkwoord
sinn
Voltooid deelwoord
gebonzelt

Uitspraak (IPA)

[bˈontsələn]

Betekenissen en vertalingen

Betekenis 1

spreektaal

Deutsch
(herunter)purzeln; (hinunter)purzeln
Français
dégringoler (faire une chute)
English
to tumble (down)
Português
dar um trambolhão
Nederlands
tuimelen; kukelen (vallen)

Gebruiksnotities

Spellingvarianten

Alleen door de bron gecontroleerde varianten worden voorgesteld.

  • bonzel
  • bonzelen
  • bonzels
  • bonzelt
  • gebonzelt

Voorbeeldzinnen

  1. ech sinn iwwer meng eege Féiss getrollt an d'Trap erof an de Keller gebonzelt

    spreektaal

    Betekenis: tuimelen; kukelen

  2. bei deem Klenge komme geschwënn d'Tréine gebonzelt

    spreektaal

    Betekenis: tuimelen; kukelen

Werkwoordvervoeging

Infinitief
bonzelen
Voltooid deelwoord
gebonzelt
Hulpwerkwoord
sinn
Aantonende wijs · Tegenwoordige tijd
ech
bonzelen
du
bonzels
hien / hatt / si
bonzelt
mir
bonzelen
dir
bonzelt
si
bonzelen
Aantonende wijs · Voltooid tegenwoordige tijd
ech
si gebonzelt
du
bass gebonzelt
hien / hatt / si
ass gebonzelt
mir
si gebonzelt
dir
sidd gebonzelt
si
si gebonzelt
Aantonende wijs · Voltooid verleden tijd
ech
war gebonzelt
du
waars gebonzelt
hien / hatt / si
war gebonzelt
mir
ware gebonzelt
dir
waart gebonzelt
si
ware gebonzelt
Voorwaardelijke wijs · Tegenwoordige tijd
ech
géif / géing bonzelen
du
géifs / géings bonzelen
hien / hatt / si
géif / géing bonzelen
mir
géifen / géinge bonzelen
dir
géift / géingt bonzelen
si
géifen / géinge bonzelen
Voorwaardelijke wijs · Verleden tijd
ech
wier gebonzelt
du
wiers gebonzelt
hien / hatt / si
wier gebonzelt
mir
wiere gebonzelt
dir
wiert gebonzelt
si
wiere gebonzelt
Gebiedende wijs · Tegenwoordige tijd
du
bonzel!
dir
bonzelt!

Bron: ZLS / LOD · juli 2026 · CC0

→