braddelen

Lëtzebuergesch
English
to prattle; to rattle on
Français
dégoiser; débiter des âneries
Deutsch
labern; schwafeln
Woordsoort
VRB
Synoniem
tuddelen; verzapen; sabbelen; saften
Hulpwerkwoord
hunn
Voltooid deelwoord
gebraddelt

Uitspraak (IPA)

[bʀˈɑdələn]

Betekenissen en vertalingen

Betekenis 1

spreektaal

Deutsch
labern
Français
dégoiser (débiter)
English
to witter on; to prattle
Português
debitar (disparates)
Nederlands
uitslaan; uitkramen (onzin)

Synoniemen

sabbelen · saften · verzapen

Betekenis 2

spreektaal

Deutsch
labern; schwafeln
Français
débiter des âneries
English
to witter on; to chatter; to rattle on
Português
palrar; dizer disparates
Nederlands
kletsen; zwammen; lullen

Synoniemen

sabbelen · saften · tuddelen

Gebruiksnotities

Spellingvarianten

Alleen door de bron gecontroleerde varianten worden voorgesteld.

  • braddel
  • braddelen
  • braddels
  • braddelt
  • gebraddelt
  • gebraddeltem
  • gebraddelten
  • gebraddelter

Voorbeeldzinnen

  1. wann hien ze vill gedronk huet, braddelt en nëmme méi Blödsinn

    spreektaal

    Betekenis 1: uitslaan; uitkramen

  2. hal dach emol op mat braddelen !

    spreektaal

    Betekenis 2: kletsen; zwammen; lullen

  3. eise Keessjee huet wärend där ganzer Rees gebraddelt

    spreektaal

    Betekenis 2: kletsen; zwammen; lullen

Werkwoordvervoeging

Infinitief
braddelen
Voltooid deelwoord
gebraddelt
Hulpwerkwoord
hunn
Aantonende wijs · Tegenwoordige tijd
ech
braddelen
du
braddels
hien / hatt / si
braddelt
mir
braddelen
dir
braddelt
si
braddelen
Aantonende wijs · Voltooid tegenwoordige tijd
ech
hu gebraddelt
du
hues gebraddelt
hien / hatt / si
huet gebraddelt
mir
hu gebraddelt
dir
hutt gebraddelt
si
hu gebraddelt
Aantonende wijs · Voltooid verleden tijd
ech
hat gebraddelt
du
has gebraddelt
hien / hatt / si
hat gebraddelt
mir
hate gebraddelt
dir
hat gebraddelt
si
hate gebraddelt
Voorwaardelijke wijs · Tegenwoordige tijd
ech
géif / géing braddelen
du
géifs / géings braddelen
hien / hatt / si
géif / géing braddelen
mir
géifen / géinge braddelen
dir
géift / géingt braddelen
si
géifen / géinge braddelen
Voorwaardelijke wijs · Verleden tijd
ech
hätt gebraddelt
du
häss gebraddelt
hien / hatt / si
hätt gebraddelt
mir
hätte gebraddelt
dir
hätt gebraddelt
si
hätte gebraddelt
Gebiedende wijs · Tegenwoordige tijd
du
braddel!
dir
braddelt!

Bron: ZLS / LOD · juli 2026 · CC0

→