oflenken
Lëtzebuergesch
- English
- to distract; to divert from
- Français
- distraire; distraire de
- Deutsch
- ablenken; ablenken von
- Woordsoort
- VRB
- Hulpwerkwoord
- hunn
- Voltooid deelwoord
- ofgelenkt
Uitspraak (IPA)
[ˈoːflæŋkən]
Betekenissen en vertalingen
Betekenis 1
- Deutsch
- ablenken (auf andere Gedanken bringen)
- Français
- distraire (changer les idées à)
- English
- to distract (to divert)
- Português
- distrair (arejar as ideias de)
- Nederlands
- afleiden (op andere gedachten brengen)
Betekenis 2
- Deutsch
- ablenken von (abbringen von)
- Français
- détourner de; distraire de (d'un sujet, d'une occupation)
- English
- to distract from; to divert from
- Português
- desviar de; afastar de (de um assunto, de uma ocupação)
- Nederlands
- afleiden van
Spellingvarianten
Alleen door de bron gecontroleerde varianten worden voorgesteld.
- ofgelenkt
- ofgelenktem
- ofgelenkten
- ofgelenkter
- oflenke vun
- oflenken
- oflenks
- oflenkt
- ofzelenken
Voorbeeldzinnen
de Film war spannend an huet mech fir zwou Stonnen ofgelenkt
Betekenis 1: afleiden
versich elo net, (eis) vum Theema ofzelenken !
Betekenis 2: afleiden van
Werkwoordvervoeging
- Infinitief
- oflenken
- Voltooid deelwoord
- ofgelenkt
- Hulpwerkwoord
- hunn
Aantonende wijs · Tegenwoordige tijd
- ech
- lenken of
- du
- lenks of
- hien / hatt / si
- lenkt of
- mir
- lenken of
- dir
- lenkt of
- si
- lenken of
Aantonende wijs · Voltooid tegenwoordige tijd
- ech
- hunn ofgelenkt
- du
- hues ofgelenkt
- hien / hatt / si
- huet ofgelenkt
- mir
- hunn ofgelenkt
- dir
- hutt ofgelenkt
- si
- hunn ofgelenkt
Aantonende wijs · Voltooid verleden tijd
- ech
- hat ofgelenkt
- du
- has ofgelenkt
- hien / hatt / si
- hat ofgelenkt
- mir
- haten ofgelenkt
- dir
- hat ofgelenkt
- si
- haten ofgelenkt
Voorwaardelijke wijs · Tegenwoordige tijd
- ech
- géif / géing oflenken
- du
- géifs / géings oflenken
- hien / hatt / si
- géif / géing oflenken
- mir
- géifen / géingen oflenken
- dir
- géift / géingt oflenken
- si
- géifen / géingen oflenken
Voorwaardelijke wijs · Verleden tijd
- ech
- hätt ofgelenkt
- du
- häss ofgelenkt
- hien / hatt / si
- hätt ofgelenkt
- mir
- hätten ofgelenkt
- dir
- hätt ofgelenkt
- si
- hätten ofgelenkt
Gebiedende wijs · Tegenwoordige tijd
- du
- lenk of!
- dir
- lenkt of!
Bron: ZLS / LOD · juli 2026 · CC0
→