Pass

Lëtzebuergesch
English
passport; season ticket
Français
passeport; laissez-passer
Deutsch
Pass [Ausweis]; Dauerkarte
Woordsoort
SUBST M
Meervoud
Päss

Uitspraak (IPA)

[pɑs]

Betekenissen en vertalingen

Betekenis 1

Deutsch
Pass (Ausweis)
Français
passeport
English
passport
Português
passaporte
Nederlands
paspoort; pas (identiteitsbewijs)

Betekenis 2

Deutsch
Passierschein; Dauerkarte
Français
laissez-passer
English
pass; season ticket
Português
passe; livre-trânsito
Nederlands
pas(je) (toegangsbewijs)
Spellingvarianten

Alleen door de bron gecontroleerde varianten worden voorgesteld.

  • Pass

Voorbeeldzinnen

  1. fir anzechecke muss de däi Pass weisen

    Betekenis 1: paspoort; pas

  2. meng Elteren hunn hir Päss erneiere gelooss

    Betekenis 1: paspoort; pas

  3. mat dësem Pass kommen ech an all Musée eran

    Betekenis 2: pas(je)

Bron: ZLS / LOD · juli 2026 · CC0

→