Präsenz

Lëtzebuergesch
English
presence [physical]; presence [charisma]
Français
présence [physique]; présence [rayonnement d'une personne]
Deutsch
Anwesenheit [Gegenwart]; Präsenz [Ausstrahlung]
Woordsoort
SUBST F
Meervoud
Präsenzen

Uitspraak (IPA)

[pʀeːzˈænts]

Spellingvarianten

Alleen door de bron gecontroleerde varianten worden voorgesteld.

  • Präsenz
  • Präsenzen

→