zappelen

Lëtzebuergesch
English
to flail about
Français
se trémousser
Deutsch
zappeln
Woordsoort
VRB
Hulpwerkwoord
hunn
Voltooid deelwoord
gezappelt

Uitspraak (IPA)

[tsˈɑpələn]

Betekenissen en vertalingen

Betekenis 1

Deutsch
zappeln
Français
gigoter; frétiller; se trémousser
English
to fidget; to wriggle; to flail about
Português
agitar-se; estrebuchar
Nederlands
spartelen; trappelen; wiebelen

Gebruiksnotities

Spellingvarianten

Alleen door de bron gecontroleerde varianten worden voorgesteld.

  • gezappelt
  • zappel
  • zappelen
  • zappels
  • zappelt

Voorbeeldzinnen

  1. hal op ze zappelen , dat mécht mech nervös!

    Betekenis: spartelen; trappelen; wiebelen

  2. d'Frell huet un der Aangel gezappelt

    Betekenis: spartelen; trappelen; wiebelen

  3. de Jury huet d'Kandidaten zappele gelooss

    spreektaal

    Betekenis: spartelen; trappelen; wiebelen

Werkwoordvervoeging

Infinitief
zappelen
Voltooid deelwoord
gezappelt
Hulpwerkwoord
hunn
Aantonende wijs · Tegenwoordige tijd
ech
zappelen
du
zappels
hien / hatt / si
zappelt
mir
zappelen
dir
zappelt
si
zappelen
Aantonende wijs · Voltooid tegenwoordige tijd
ech
hu gezappelt
du
hues gezappelt
hien / hatt / si
huet gezappelt
mir
hu gezappelt
dir
hutt gezappelt
si
hu gezappelt
Aantonende wijs · Voltooid verleden tijd
ech
hat gezappelt
du
has gezappelt
hien / hatt / si
hat gezappelt
mir
hate gezappelt
dir
hat gezappelt
si
hate gezappelt
Voorwaardelijke wijs · Tegenwoordige tijd
ech
géif / géing zappelen
du
géifs / géings zappelen
hien / hatt / si
géif / géing zappelen
mir
géifen / géingen zappelen
dir
géift / géingt zappelen
si
géifen / géingen zappelen
Voorwaardelijke wijs · Verleden tijd
ech
hätt gezappelt
du
häss gezappelt
hien / hatt / si
hätt gezappelt
mir
hätte gezappelt
dir
hätt gezappelt
si
hätte gezappelt
Gebiedende wijs · Tegenwoordige tijd
du
zappel!
dir
zappelt!

Bron: ZLS / LOD · juli 2026 · CC0

→