erofgoen

Lëtzebuergesch
English
to get off; to go down; to come off; to come down with; to pass off
Français
descendre; s'abaisser; atterrir; baisser; se détacher; se passer
Deutsch
hinuntergehen; heruntergehen; landen; zurückgehen; abgehen; herabsetzen; zugehen
Woordsoort
VRB
Synoniem
hiergoen; ofhuelen; zeréckgoen
Hulpwerkwoord
sinn
Voltooid deelwoord
erofgaangen; erofgaang

Uitspraak (IPA)

[əʀˈoːfɡoːən]

Betekenissen en vertalingen

Betekenis 1

Deutsch
heruntergehen; hinuntergehen (nach unten gehen)
Français
descendre (aller vers le bas)
English
to go down; to get down; to get off (on foot)
Português
descer (mover-se para baixo)
Nederlands
afdalen (van); afgaan (van) (naar beneden gaan (van))

Betekenis 2

Deutsch
heruntergehen (heruntergelassen werden)
Français
descendre; s'abaisser
English
to go down (to be lowered)
Português
descer; baixar (ser movido para baixo)
Nederlands
naar beneden gaan (omlaag gedaan worden)

Betekenis 3

Deutsch
die Flughöhe vermindern; landen
Français
descendre; atterrir (en altitude)
English
to go down (to reduce flight altitude, to land)
Português
descer; aterrar (em altitude)
Nederlands
dalen; landen

Betekenis 4

Deutsch
zurückgehen (abnehmen, sich verringern)
Français
baisser (diminuer)
English
to go down (to decrease)
Português
descer; baixar (diminuir)
Nederlands
teruglopen; dalen; zakken (minder worden; koorts)

Synoniemen

ofhuelen · zeréckgoen

Betekenis 5

Deutsch
abgehen (sich lösen)
Français
se détacher (se décoller)
English
to come loose; to come off
Português
sair (descolar-se)
Nederlands
loskomen (loslaten)

Betekenis 6

Deutsch
heruntergehen mit; herabsetzen
Français
baisser (un montant)
English
to come down with (a price)
Português
baixar (uma quantia)
Nederlands
omlaaggaan met

Betekenis 7

Deutsch
zugehen (verlaufen, ablaufen)
Français
se passer (d'une certaine façon)
English
to go on; to proceed; to pass off
Português
passar-se (de um certo modo)
Nederlands
toegaan (in zijn werk gaan)

Synoniemen

hiergoen

Gebruiksnotities

Spellingvarianten

Alleen door de bron gecontroleerde varianten worden voorgesteld.

  • erofgaang
  • erofgaangen
  • erofgees
  • erofgeet
  • erofgéing
  • erofgéingen
  • erofgéings
  • erofgéingt
  • erofgi
  • erofginn
  • erofgitt
  • erofgoe mat
  • erofgoen
  • erofgoung
  • erofgoungen
  • erofgoungs
  • erofgoungt
  • erofzegoen

Voorbeeldzinnen

  1. nom Fakelzuch si mer de Bierg erëm erofgaangen

    Betekenis 1: afdalen (van); afgaan (van)

  2. géi vum Dësch erof !

    spreektaal

    Betekenis 1: afdalen (van); afgaan (van)

  3. wann et däischter gëtt, ginn iwwerall d'Rolllueden erof

    Betekenis 2: naar beneden gaan

  4. de Fliger ass op dausend Meter erofgaangen

    Betekenis 3: dalen; landen

  5. de Ballon ass erofgaangen , wéi d'Wieder komm ass

    Betekenis 3: dalen; landen

  6. de Chômage ass dëse Mount erofgaangen

    Betekenis 4: teruglopen; dalen; zakken

  7. wann d'Féiwer net erofgeet , musse mer den Dokter ruffen

    Betekenis 4: teruglopen; dalen; zakken

  8. de Lack ass ganz erofgaangen

    Betekenis 5: loskomen

  9. déi al Faarf geet schwéier erof

    Betekenis 5: loskomen

  10. de Vendeur ass mam Präis bis op 15.000 Euro erofgaangen

    Betekenis 6: omlaaggaan met

  11. bei eis doheem geet et alt emol rau erof

    Betekenis 7: toegaan

  12. an der Versammlung ass et méi ziviliséiert erofgaangen , wéi ech geduecht hat

    Betekenis 7: toegaan

Werkwoordvervoeging

Infinitief
erofgoen
Voltooid deelwoord
erofgaangen / erofgaang
Hulpwerkwoord
sinn
Aantonende wijs · Tegenwoordige tijd
ech
ginn erof
du
gees erof
hien / hatt / si
geet erof
mir
ginn erof
dir
gitt erof
si
ginn erof
Aantonende wijs · Onvoltooid verleden tijd
ech
goung erof
du
goungs erof
hien / hatt / si
goung erof
mir
goungen erof
dir
goungt erof
si
goungen erof
Aantonende wijs · Voltooid tegenwoordige tijd
ech
sinn erofgaangen / erofgaang
du
bass erofgaangen / erofgaang
hien / hatt / si
ass erofgaangen / erofgaang
mir
sinn erofgaangen / erofgaang
dir
sidd erofgaangen / erofgaang
si
sinn erofgaangen / erofgaang
Aantonende wijs · Voltooid verleden tijd
ech
war erofgaangen / erofgaang
du
waars erofgaangen / erofgaang
hien / hatt / si
war erofgaangen / erofgaang
mir
waren erofgaangen / erofgaang
dir
waart erofgaangen / erofgaang
si
waren erofgaangen / erofgaang
Voorwaardelijke wijs · presentSimple
ech
géing erof
du
géings erof
hien / hatt / si
géing erof
mir
géingen erof
dir
géingt erof
si
géingen erof
Voorwaardelijke wijs · Tegenwoordige tijd
ech
géif / géing erofgoen
du
géifs / géings erofgoen
hien / hatt / si
géif / géing erofgoen
mir
géifen / géingen erofgoen
dir
géift / géingt erofgoen
si
géifen / géingen erofgoen
Voorwaardelijke wijs · Verleden tijd
ech
wier erofgaangen / erofgaang
du
wiers erofgaangen / erofgaang
hien / hatt / si
wier erofgaangen / erofgaang
mir
wieren erofgaangen / erofgaang
dir
wiert erofgaangen / erofgaang
si
wieren erofgaangen / erofgaang
Gebiedende wijs · Tegenwoordige tijd
du
géi erof!
dir
gitt erof!

Bron: ZLS / LOD · juli 2026 · CC0

→