pilgeren
Lëtzebuergesch
- English
- to go on a pilgrimage; to traipse
- Français
- aller (en pèlerinage); (devoir) se rendre
- Deutsch
- pilgern
- Woordsoort
- VRB
- Synoniem
- reesen
- Hulpwerkwoord
- sinn
- Voltooid deelwoord
- gepilgert
Uitspraak (IPA)
[pˈilʑəʀən]
Betekenissen en vertalingen
Betekenis 1
- Deutsch
- pilgern (wallfahren)
- Français
- aller (en pèlerinage)
- English
- to go on a pilgrimage
- Português
- ir (em peregrinação); ir (em romaria)
- Nederlands
- een bedevaart doen; een pelgrimstocht maken
Betekenis 2
spreektaal
- Deutsch
- pilgern (gehen, sich begeben)
- Français
- (devoir) aller; (devoir) se rendre
- English
- to traipse
- Português
- (ter de) ir; (ter de) se dirigir
- Nederlands
- gaan; trekken (van hot naar her)
Synoniemen
reesen
Spellingvarianten
Alleen door de bron gecontroleerde varianten worden voorgesteld.
- gepilgert
- pilger
- pilgeren
- pilgers
- pilgert
Voorbeeldzinnen
ech pilgeren all Joer zu Fouss an d'Oktav
Betekenis 1: een bedevaart doen; een pelgrimstocht maken
fir déi Geneemegung ze kréien, ass e vun engem Minister bei deen anere gepilgert
spreektaal
Betekenis 2: gaan; trekken
Werkwoordvervoeging
- Infinitief
- pilgeren
- Voltooid deelwoord
- gepilgert
- Hulpwerkwoord
- sinn
Aantonende wijs · Tegenwoordige tijd
- ech
- pilgeren
- du
- pilgers
- hien / hatt / si
- pilgert
- mir
- pilgeren
- dir
- pilgert
- si
- pilgeren
Aantonende wijs · Voltooid tegenwoordige tijd
- ech
- si gepilgert
- du
- bass gepilgert
- hien / hatt / si
- ass gepilgert
- mir
- si gepilgert
- dir
- sidd gepilgert
- si
- si gepilgert
Aantonende wijs · Voltooid verleden tijd
- ech
- war gepilgert
- du
- waars gepilgert
- hien / hatt / si
- war gepilgert
- mir
- ware gepilgert
- dir
- waart gepilgert
- si
- ware gepilgert
Voorwaardelijke wijs · Tegenwoordige tijd
- ech
- géif / géing pilgeren
- du
- géifs / géings pilgeren
- hien / hatt / si
- géif / géing pilgeren
- mir
- géifen / géinge pilgeren
- dir
- géift / géingt pilgeren
- si
- géifen / géinge pilgeren
Voorwaardelijke wijs · Verleden tijd
- ech
- wier gepilgert
- du
- wiers gepilgert
- hien / hatt / si
- wier gepilgert
- mir
- wiere gepilgert
- dir
- wiert gepilgert
- si
- wiere gepilgert
Gebiedende wijs · Tegenwoordige tijd
- du
- pilger!
- dir
- pilgert!
Bron: ZLS / LOD · juli 2026 · CC0
→